Logo Left Logo PNL logo right

De geschiedenis van de Ruitersmolen

Beekbergen en zijn beek

Beekbergen dankt zijn bestaan aan de beek. De “Oude Beek” heette hij officieel. Er zijn veel beken op de Oost Veluwe, maar die zijn allemaal gegraven. We noemen ze dan ook geen beken, maar sprengen: een spreng is een gegraven beek. Het water van zo’n spreng is afkomstig van het hoge gedeelte van de Veluwe. Stelt u zich de Veluwe eens voor als een grote heuvel. Al het regenwater dat er op valt, sijpelt door de grond heen weg. Maar aan de voet van die heuvel komt het weer tevoorschijn als kwelwater. Meestal bestaat een dergelijke kwelplek uit een grote oppervlakte, waardoor het niet zo erg opvalt. Hoogstens kun je zeggen dat het er wat natter is en dat er in het voorjaar wat langer water blijft staan. Op die plekken werd (al vanaf de elfde eeuw!) een diepe sloot gegraven: een sprengenkop. Vooral in de buurt van een leemlaag kon een dergelijke sprengenkop veel water leveren. Meestal werden er meerdere sprengenkoppen aangelegd en met elkaar verbonden, waardoor dus een redelijk snel stromende spreng ontstond. Dat stromende water werd gebruikt om watermolens aan te drijven, waardoor in de middeleeuwen al in deze omgeving een bloeiende papierindustrie kon ontstaan.

Papierwatermolen de Ruitersmolen

De beek van Beekbergen is anders. Het is de enige natuurlijke beek van de hele Oost Veluwe. Dat betekent dat onze beek al sinds de laatste ijstijd, zo’n 12.000 jaar geleden, het water van dit deel van de Veluwe afvoert. Water was in het grijze verleden de belangrijkste voorwaarde voor menselijke bewoning en inderdaad gaan de oudste sporen van bewoning in ieder geval terug tot in de bronstijd: 1700 tot 1800 voor Christus. De grafheuvels zijn zonder veel moeite terug te vinden in de bossen aan de noordwestzijde van het dorp, in het landgoed Bruggelen.

Karel de Grote

Omstreeks de tijd van Karel de Grote was Beekbergen al een bloeiend dorp. Het lag aan de ‘grote weg’ van Dieren naar Harderwijk, een zgn. ‘Hessenweg’, een oude handelsweg door Noord Duitsland en Oost Nederland richting Utrecht. Die weg liep nagenoeg kaarsrecht over de Veluwe en deed Beekbergen aan vanwege het water van de beek. Het huidige Chinese restaurant in Beekbergen is in feite een oeroud logement, dat teruggaat tot minstens in de vroege middeleeuwen. Zo omstreeks de twaalfde eeuw is de Oude Beek vergraven tot spreng. Er werden liefst vier watermolens op aangelegd: twee in Beekbergen, één in Lieren en één in Klarenbeek. Achter het huidige hotel “Het Zwaantje” zijn verschillende sprengenkoppen te bewonderen. Door de omvorming tot spreng kon de beek veel meer water leveren dan voorheen, maar om watermolens aan te drijven moest toch nog een trucje worden toegepast. Er zijn namelijk drie soorten watermolens; die waar het water van boven op het rad valt (bovenslagmolens), die waar het stromende water van de beek het rad direct aan kon drijven (onderslagmolens) en middenslagmolens.

Karel de Grote

Om voldoende verval te krijgen was het nodig om de Oude Beek ‘op te leiden’, d.w.z. geleidelijk aan hoogte te laten winnen ten opzichte van het omringende land, pas dan kon de beek een waterrad aandrijven. Dat betekende dat de bedding werd verlegd naar de hogere zijkanten van het oorspronkelijke beekdal, net zo ver dat hij hoogte genoeg had om via een kustmatige waterval de bovenslagmolen aan te drijven. De oude bedding werd dus verlegd, er werd een nieuwe bedding gegraven: de Nieuwe Beek. Deze naam is geheel verloren gegaan; we spreken nu nog slechts over de Oude Beek of Beekbergense Beek.

De huismeesters van het Sint Peters Gasthuis

De Oude Beekbergense beek stroomt door de Lierdermark van west naar oost, door Beekbergen en Voorst naar de IJssel toe. Een Mark of Marke was een vereniging van landeigenaren die van oudsher gronden in onverdeeld eigendom bezaten. Aan de beek lag al in 1294/1295 een korenmolen: de Gasthuismolen. In 1533 werd deze molen het eigendom van het Sint Peters Gasthuis in Arnhem. Twee jaar later, in januari 1535, vergunde Karel van Egmond, hertog van Gelre, het gasthuis de bouw van een volmolen (Tullekensmolen), die ruim twee kilometer boven de korenmolen (Gasthuismolen) op de beek werd gelegd. Op 22 februari 1601 verpachtten de huismeesters van het Sint Peters Gasthuis deze volmolen aan Marten Orges voor de tijd van twaalf jaar om hem als papiermolen te gebruiken. De jaarlijkse pacht werd vastgesteld op 25 daalders. De huismeesters namen op zich de molen te vertimmeren, maar de papiermaker moest zelf het molenwerk betalen en werd verplicht tot een goed onderhoud. Orges’ papiermolen, evenals de later gestichte Kleine Molen (Ruitersmolen) en enkele andere molens in de omgeving, zijn alle getimmerd door de molenmakers Jan Everts en Hermen Henrickx.

Meester Papiermaker Marten Orges

Wie Marten Orges was en waar hij vandaan kwam, is nog steeds een raadsel gebleven. Hij is waarschijnlijk omstreeks 1570 geboren en trouwde, vermoedelijk kort voor 1600, met Geertje Schut, die toen weduwe was van Jacob Marcus. Uit Geertjes eerste huwelijk stamt de zoon Jacob; uit haar huwelijk met Marten Orges kwamen de zonen Daniel en Paul. Marten Orges overleed op 9 sept. 1626; zijn vrouw was in 1637 nog in leven.

Grafsteen van Marten Orges

In de kerk van Beekbergen staat op de bekende grafzerk het huismerk van de familie Schut – de kruisboog – en het huismerk van Marten Orges, met de letters “M” en “O”. Het opschrift:

“ANNO 1626 DEN 9 SEPTEMBER IS IN DE HERE GHERUST MEISTER MARTEN ORGES DEN OLSTEN PAPPYERE MAECKER GHEWEST IN GELDERLANDT”

 heeft aanleiding gegeven tot allerlei speculaties. Het is onwaarschijnlijk, dat hij de oudste in leeftijd was en het was iedereen bekend, dat er in Gelderland ook papiermolens waren, voordat Marten Orges de molen van het Sint Peters Gasthuis pachtte. Toch kan de met zoveel overtuiging in de steen gehouwen tekst niet zonder meer ter zijde geschoven worden. Zou Marten Orges die regelmatig meester papiermaker wordt genoemd, niet als deskundig meesterknecht gewerkt kunnen hebben in de eerste Gelderse molen van de familie van Aelst? De grafzerk dateert vermoedelijk niet van 1626; wanneer deze is geplaatst, weten we niet. De herkomst van Orges is het onderwerp van veel gespeculeer geweest. Rietstaps Armorial noemt een Frans geslacht Orges in Artois, maar Orges schreef zijn naam met Duitse letters en noemde zich ‘Pampiermacher’. Uitgaande van het vermoeden, dat de naam Orges is genoemd naar een Zwitserse dorpje Orges (kanton Waadt of Vaud, bij Yverdon) zou men kunnen aannemen dat daar misschien een aanknopingspunt ligt, maar daar gaan de archivalia niet ver genoeg terug. Het lijkt echter mogelijk, dat Marten eind 1598 als Zwitserse soldaat naar Gelderland is gekomen en na de slag bij Nieuwpoort in oktober 1600 werd gepaspoteerd. Dat zou echter de titel ‘olste pappyeremaecker’ nog steeds niet verklaren.

De kinderen nemen de naam Schut van de moeder aan

Dat zijn nakomelingen moeders naam Schut als familienaam hebben gevoerd, was in die tijd weliswaar niet geheel ongebruikelijk, maar doet toch vermoeden, dat Geertje Schut over het geld en Marten Orges over het vakmanschap beschikte. Spoedig breidde Marten Orges zijn bedrijf uit, door in 1606 onder zijn papiermolen een tweede molen te stichten, de latere Ruitersmolen. Namen hadden de molens destijds niet: de vroegere volmolen werd aangeduid als Grote Molen (Tullekensmolen), de lager gelegen tweede papiermolen werd de Kleine Molen (Ruitersmolen) genoemd. Beide molens werden door Marten Orges en Geertje Schut zelf beheerd.

Ook voor de kinderen was gezorgd. Orges stiefzoon Jacob Jacobs kwam op de oude Molen, waarvoor Marten Orges in 9 februari 1613 ten behoeve van zijn stiefzoon het water in erfpacht kreeg. Maar op 4 mei 1613 gaven de geërfden van de Ugchelse Mark aan Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens toestemming om een papiermolen te bouwen op eigen kosten. Op 7 december 1639 krijgt Jacob Jacobs het waterrecht om een kleine papiermolen te bouwen (de Hammermolen). Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijnders verklaren op 10 oktober 1644, dat zij van de geërfden van de Ugchelse Mark de erfpacht verkregen hadden van een “ledige plaetse” teneinde daarop een nieuwe papiermolen te timmeren. Op deze plek is toen de Nieuwe Molen gebouwd, later het Voorslop geheten in Ugchelen. In 1648 hield Jacob Jacobs het voor gezien en ging rentenieren. Orges oudste eigen zoon, Daniel Martens, stichtte in 1618 de tweede Bazemolen (Ugchelen) en kocht in 1623 de papiermolen van Casper Weydeman.

Orges tweede zoon, Paul Martens, heeft kort voor de dood van zijn vader in 1625 van de boekverkoper Jan Jansen diens papiermolen op klein Hattem (Ugchelen) gekocht.

Het Proces

In 1622/1625 was Marten Orges in een proces gewikkeld met de huismeesters van het Sint Peters Gasthuis. Daar is heel veel papier aan te pas gekomen. Die papieren zijn bewaard gebleven en men kan ze vinden in het rijksarchief in Arnhem. Een van die papieren is een verslag van Jonker Diederick van Essen, die met Jonker Reinolt van Sallent samen met de onderschout en kerkmeester van het karspel Beekbergen een bespreking hebben met de geërfden van de Marke. Zij verklaren dat in het jaar 1606 in algemeen holtgerecht is bepaald en goedgekeurd, dat aan Marten Orges verpacht wordt een plaats voor een nieuwe papiermolen, met goedkeuring en volmacht van het Sint Peters Gasthuis in Arnhem. Hier wordt dus ook het jaartal 1606 genoemd. Meester Marten Orges heeft pacht betaald tot 1621, vanaf 1610 hebben de erfgenamen hem uitstel gegeven. We zijn nu een jaar verder, en de pacht is blijkbaar niet betaald. En nu vinden de erfgenamen dat het nodig is een nieuwe pacht overeen te komen. Het gasthuis moet zijn rechten hebben, zeggen ze. Ondertekend hebben: Diederick van Essen; Reyner Reynersen, Rijck, Jansen, en dan zes mensen die niet kunnen schrijven, maar hun “Mark” hebben gezet, dat zijn Karst Jansen, Onderscholtes tot Beekbergen Henrijck Lutges, Hindrik Lubbes, Reynder Harmens, Korneles Dyrck en Bastyannys tot Lyeren.

Sint Petersgasthuis rond 1920

Een ander verslag is van de heren Bommel en Kaldenbach. Deze zijn in Beekbergen geweest uit naam van het gasthuis in Arnhem. De huismeesters hebben hun hart gelucht: door het “stouwen komt het water niet bij de korenmolen” (gasthuismolen). En ook de sprengen worden “gedempt en versmoort”. Ze vinden dat de molens moeten worden afgebroken of buiten werking gesteld, ook omdat de pacht al jaren is afgelopen. Omdat hun vader afwezig is, doen de zoons het woord namens hem. Ze zeggen dat het nadeel dat de huismeesters ondervinden, niets dan nijd en afgunst is. Ze bieden namens hun vader aan een pomp naast de schutten te zetten op hun kosten en die een week of zes te laten lopen. Als er dan meer water op de korenmolen komt dan beweerd wordt, willen ze de molens afbreken. De huismeesters blijven echter bij hun standpunt, en denken dat er door al dat gepomp weinig verbetering te merken zal zijn; het water zal zich verder verbreiden. De commissieleden hebben toen geprobeerd de partijen er toe te brengen langs vriendschappelijke weg de zaak op te lossen. Zij stelden voor een zeker grenspeil vast te stellen. Marten Orges zou het water niet boven het peil laten komen, anders zou hij een boete moeten betalen. Bovendien zou hij zijn pacht aan het gasthuis redelijk verbeteren. De huismeesters hebben er niet veel oren naar en zeggen het voorstel aan hun principalen te zullen rapporteren. De zoons van Marten Orges willen alles ter kennis brengen aan de heren van het hof en de heren commissarissen. De volgende dag komen er nog “drie Huisluiden” klagen dat ze last van het stuwen van de beek hebben, maar daar wensen de commissieleden zich niet mee bezig te houden. Dit hele proces gaat over twee molens, de grote molen (Tullekensmolen) en de kleine molen (Ruitersmolen).

Mr. Jan Everts en Hermen Hendrikx, timmerlieden, verklaren op verzoek van Marten Orges, dat zij, behalve de molen van Orges, o.a. ook zes in de omgeving liggende papiermolens getimmerd hebben en zij geven te kennen, dat de Gasthuismolen te Beekbergen geen hinder kan hebben van de daar boven gelegen papiermolen van Marten Orges. Zij verklaren ook dat de Beekbergense beek een hardlopende beek is.

De uitspraak van het proces, dat drie jaar duurde van 1622/1625, is dat Marten Orges wordt veroordeeld de grote molen te verlaten (Tullekensmolen) en een nieuwe pachtregeling te treffen en bij de kleine molen de stuwen op te nemen, en het water zijn vrije loop te laten. De Tullekensmolen komt dus buiten werking, maar wordt niet afgebroken. Twee jaar later, in 1627, komt het tot een rechtsgeding tussen het hof en het Sint Peters Gasthuis. Het hof is er namelijk achter gekomen dat de huismeesters het water van de Beekbergense beek helemaal niet mochten verpachten. Wel hadden ze rechten voor de korenmolen (Gasthuismolen) en de grote molen (Tullekensmolen), maar verder niet. Jammer dat Marten Orges dat niet heeft mogen beleven, hij is op 9 september 1626 overleden.

In 1629 krijgen de weduwe van Marten Orges, Geertje Schut, en zijn kinderen de waterpacht van de beek voor de kleine papiermolen.

De Ruitersmolen

De molen werd nog steeds ’de Kleine Molen’ genoemd. Eerst in 1735 wordt in een akte gezegd: van ouds genaamd de Ruitersmolen. Plaatselijk gaat het verhaal, dat de naam te danken zou zijn aan een glas-in-looddeur, waarin afgebeeld Marten Orges te paard, op weg om de molens van hem en van zijn kinderen te inspecteren. Het is een onwaarschijnlijk verhaal. Wij vermoeden, dat de molen een naambord had, waarop de bekende postruiter of postillon, een geliefd papiermakersmerk, was afgebeeld. Een dochter van de latere eigenaar Claas Jansen van Amersfoort, Stijntje, werd ook Stijntje Claesen de Ruyter genoemd. De naam kan dus ook van deze familie komen, of omgekeerd, werd Stijntje naar de molen genoemd. In oudere stukken heet de molen steeds Ruitermolen; de minder juiste variant Ruitersmolen dateert uit de tweede helft van de achttiende eeuw.

Dubbel Bedrijf

Geertje Schut overleed waarschijnlijk kort na 1637; haar zoon Daniel was in 1636 overleden. In 1650 leefden Paul en Jacob nog, maar Paul was al papiermaker op Klein Hattem, Jacob op de Oude Molen (Altenaar in Ugchelen). De Kleine Molen (Ruitersmolen) werd verkocht, maar de naam van de nieuwe eigenaar blijkt pas voor het eerst uit het verpondingskohier van 1648-1650, waarin in Engelander buurschap genoemd wordt Jan van Amersfoort als eigenaar en gebruiker van huis en papiermolen van vier bakken. Deze Jan van Amersfoort werd als eigenaar opgevolgd door zijn zoon Jan Janz. van Amersfoort die in of kort voor 1693 een tweede rad aan de molen hing. De Ruitersmolen werd nu een dubbel bedrijf en moest voortaan aan de rekenkamer een daalder meer pacht betalen. Omdat de meesters de jaarlijks terugkerende posten vaak ten onrechte vele jaren lang ongewijzigd lieten staan, zou deze bedrijfsvergroting ook wel wat eerder plaats gehad kunnen hebben. Van Jan Jansz. van Amersfoort weten we weinig af. Hij had twee zoons, Klaas en Hendrik en kort na 1700, toen Jan waarschijnlijk was overleden, blijken Klaas en Hendrik ieder één van de molens te bezitten.

Aangezien beide Ruitersmolens een eigen geschiedenis hebben, zullen we ze afzonderlijk beschrijven als Ruitersmolen 1 en Ruitersmolen 2.

Ruitersmolen 1

Als Ruitersmolen 1 behandelen we de molen van Klaas Janz. van Amersfoort, die in januari 1708 als weduwnaar van Wijsse Arnts Cruimer hertrouwde met ‘Kneelisje Krumers’, dat is Cornelisje Gerrits Cruymer. Beiden zijn voor of in 1728 overleden. In zijn laatste levensjaren, 1722, heeft Klaas nog samen met Heymerik Hugen van Til, vader van een van zijn schoondochters, de Achterste Molen in Loenen gekocht.

De Achterste molen is gebouwd in 1654 en is in 1933 verplaatst naar het Openluchtmuseum te Arnhem

Klaas Jansen van Amersfoort had vijf kinderen: Stijntje, die met Daniel Jansen Schut trouwde, Luytje, getrouwd met de koster Jacob van Otterloo en de zoons Jacob, gehuwd met Johanna Heymensen van Til, Jan Gerrit, die in juli 1728 trouwde met Johanna Hermsen Brink en de ‘Innocente’ Jan Claesen van Amersfoort. Bij magescheid van 14 september 1729 kreeg Jan Gerrit van Amersfoort ‘3/4 minus 1/10 part van de papiermolen, die reeds door hem werd bewoond en gebruikt. De innocente Jan Claesen kreeg het resterende ‘1/4 plus 1/10 part’. Jan Gerrit moest zijn mede-erfgenamen uitkopen met 1540 gld. voor zijn broer Jacob en 1500 gld. voor zijn zuster Luytje, in drie termijnen te betalen. Als zijn broer Jan Claesen zou komen te overlijden, diende Jan Gerrit diens aandeel in de molen voor 1500 gld. aan te nemen.

Er werden ook percelen land verdeeld: de Hartogscamp, de Kleyne Delacker, de Hofacker, de Eversberg, de Boerpol, de Kruysacker, de kleyne Leygraeve, de Vosacker, de Boersacker, de Delacker en de Lubbenhorst. De helft van de Achterste Molen in Loenen werd geërfd door de zoons Jacob en Jan Claessen.

Publieke verkoop Ruitersmolen

Jan Gerrit van Amersfoort moest het geld voor het uitkopen van zijn mede-erfgenamen lenen: in 1729 van Abraham Umbgrove en Hendrina Merkes 2000 gld., in 1734 van Rutger Tulleken en diens zuster Johanna 2700 gld. Jan Gerrit kon al spoedig de lasten niet opbrengen en in april 1737 werd de molen met vier hamerbakken, waarvan drie met vijf en één met zes hamers, huis en schuur, ‘van oudst genaamd de Ruitersmolen’ publiek verkocht. Ook het aandeel van de innocente Jan Claesen van Amersfoort werd door de voogden verkocht. Voor 6280 gld. werd Wilem Brouwer de nieuwe eigenaar.

Hammerbak van de Achterstemolen in het Openluchtmuseum te Arnhem

Willem Brouwer, zoon van Cornelis Willemsz. Brouwer en Driesje Lubberts, was gehuwd met Luytje Gijsberts uit Loenen. Met zijn buurman op de tweede Ruitersmolen, Willem Jansz. Beekhuis, regelde hij in 1739 het landbezit rond de molens, een kleine ruilverkaveling, waarbij Beekhuis een stukje hofland bij de molen kreeg in ruil voor een akkertje zaailand, genaamd het Wolleboomtje in de Lierense enk bij de Hessenweg. Brouwer bezat in Orden de helft van het goed de Pas, bestaande uit huis met hof en schuur, schaapschot en berg en acht molder zaailand.

Ook Willem Brouwer kreeg geldzorgen. In 1739 leende hij 400 gld. op onderpand van het goed de Pas. In 1739 werd gepeind aan zijn molen, aan de Pas en aan een hem toebehorend zevende part ‘van het goedje te Noord Apeldoorn’ wegens diverse onbetaald gebleven schulden: bijna 1000 gld. aan de Arnhemse lompenhandelaar Jan Evers Vierevant, ruim 1370 gld. die Cornelis Willems Brouwer (zijn vader) te vorderen had onder andere wegens geleverde waren en 4300 gld. en de rente daarvan over een jaar, hem op obligatie geleend en waarvoor de procureur Nicolaas van Hamel, Cornelis Brouwer en Jacob Gerrits Timmerman borg stonden.

In augustus 1739 stond de papiermaker al zijn bezittingen, de molen, gereedschap en papier in Amsterdam, aan drie borgen af voor 8863 gld., waaruit de schulden moesten worden betaald. De nieuwe eigenaars hadden de Ruitersmolen verpacht aan Berend en Jan Oosterhof.

Drie nieuwe eigenaars maar geen papiermakers

In welke familieverhouding Willem Brouwer stond tot de drie nieuwe eigenaars, is mij niet bekend. Cornelis Willemse Brouwer, niet te verwarren met Willems gelijknamige vader, was gehuwd met Aaltje van Amersfoort, dochter van Hendrik van Amersfoort en had dus nauwe betrekkingen tot de Ruitersmolen. Zeger Cornelis Brouwer was zijn zoon, gehuwd met Gerritje Warners Bosch. Jacob Gerrits Timmerman was met een Niesje Lubberts gehuwd. Geen van de drie nieuwe eigenaars schijnt zelf papiermaker te zijn geweest.

Van Zeger is bekend, dat hij in Orden de zaalweer (een horige hofstede op een herengoed) Ritsbergen bezat en op het Loo het huis genaamd het Posthuys, een herberg en poststation bij het paleis.

Heeft de Molen een paar jaar stilgestaan?

De pachter Berend Oosterhof was knecht geweest bij Jurriaan Bloemkolk op de Oosterhofse molen in Vaassen. Van Oosterhof is mij niets bekend. Lang hebben zij niet gewerkt op de Ruitersmolen. In 1744 werd hun plaats ingenomen door Evert van Oorsprong uit Apeldoorn, zoon van Jacob van Oorsprong en Maria Leemhorst, in april 1745 te Beekbergen getrouwd met Janna Everts van Sprenkelaar. In 1750 vertrok Evert van Oorsprong naar Apeldoorn, waar hij de stinkmolen III kocht. In 1751 vinden we Willem Derx en zijn uit Apeldoorn afkomstige vrouw Lubbertje Hendriks op de Ruitersmolen, eerst als pachters, maar in november 1752 werden zij eigenaren van 2/3 parten in de molen, die zij voor 2750 gld. kochten van de weduwe van Cornelis Willems Brouwer en van haar zoon Zeger.

Gradus ten Pas,
Stinkmolen Apeldoorn, 1896

Maar ook Willem Derx kreeg te maken met problemen. Bijna 1500 gld. was de papiermaker schuldig aan Jacob Brouwer en Zeger Brouwer stond hiervoor borg. Toen er geen rente of aflossing meer werd betaald, werd aan de goederen van Zeger gepeind, die op zijn beurt de deurwaarder naar Willem Derx stuurde. Waarschijnlijk wel tegen zijn zin moest Zeger in augustus 1759 de 2/3 parten van de papiermaker, toen gewaardeerd op slechts 1400 gld., als betaling in ontvangst nemen. Misschien heeft de molen een of twee jaar stilgestaan, want in 1762 kwam er pas een nieuwe pachter: Arnoldus Schut. Hij kwam uit Oosterbeek met zijn vrouw Beeltje Schut, dochter van Paul Martens Schut, tot 1745 eigenaar van de papiermolen op de Elshegge te Oosterbeek. Een rustige baan had Schut niet op de Ruitersmolen, want nu werd Zeger Brouwer als eigenaar van 2/3 parten door schuldeisers achtervolgd. Voor in totaal ongeveer 3000 gld. schuld aan diverse personen werd van mei tot augustus 1762 herhaaldelijk gepeind aan de molen.

De eigenaar van het overige 1/3 part, Jacob Gerrits Timmerman, was inmiddels overleden en zijn erfgenamen verkochten het aandeel in oktober 1762 aan Gerrit Brink en Berend Capel voor 660 gld. In januari 1764 volgde Zeger Brouwer dit voorbeeld en verkocht aan dezelfde personen zijn 2/3 part voor 1266 gld. Deze verkoop had tot gevolg dat Arnoldus Schut naar Heelsum vertrok, waar hij in 1766 de zuidelijke Kabeljauwse molen kocht.

Eerst als knecht later als pachter terug op de molen

Als nieuwe pachter van de Ruitersmolen arriveerde in het voorjaar van 1767 Herman van Lil uit Rozendaal. Hij had in 1761 reeds als knecht op de molen gewerkt, maar was in 1766 naar Rozendaal vertrokken. Nu kwam hij als pachter terug. Herman van Lil is in februari 1734 geboren als zoon van Arnoldus van Lil en Hendrika Kleins, in Apeldoorn. Herman was getrouwd met Johanne Velthuisen, die in oktober 1768 op de molen overleed. In 1770 hertrouwde van Lil met Jannetje Boekelman.

Van de twee nieuwe eigenaars van de molen verdween Gerrit Herms Brink reeds in mei 1768, toen hij aan Berend Capel de helft van de molen voor 950 gld. verkocht. In juni 1778 is Berend Capel overleden en de molen werd eigendom van zijn weduwe, Jacobje Jansen Schut. In 1779 werd de molen bij magescheid toegedeeld aan haar zoon Jan Capel, die in december 1779 een lening van 1200 gld. kreeg van de kerk van Beekbergen. De weduwe van Berend Capel is in maart 1781 overleden. Herman van Lil vertrok in 1778 naar Harderwijk, waar hij pachter werd van de windpapiermolen Maria Magdalena. Jan Capel is in oktober1740 geboren als zoon van Berend Capel en Jacobje Jans Schut. Hij trouwde in juli 1775 met Aardina Sprenkeler, volgens aangifte van de knecht Cornelis Magneficq. In augustus 1778 is Jan Capel hertrouwd met Aaltje Reinders Woudenberg. Jan Capel overleed op 5 september 1788.

De uitvoerige inventaris, die in juni 1789 van de boedel werd opgesteld, noemt aan ontroerend goed behalve de papiermolen een aantal percelen land. Er waren vier koeien en het nodige landbouwgereedschap, huisraad en kleding getuigde van een zekere welstand. De vierbaksmolen was van de normale bescheiden omvang: een kuip, twee paar vormen en een post vilten. Ongeveer 700 riem papier lag gereed. De schulden, hoofdzakelijk aan Gijsbert Middelburg te Deventer voor lompen, bedroegen ruim 1000 gld.

Familie Boks 130 jaar op de Ruitersmolen

Aaltje Woudenberg is in juni 1789 hertrouwd met Berend Derks Boks uit Loenen. In oktober 1791 werd de zoon Derk geboren, die reeds in 1808 figureert als partner van zij vader in de firma B. Boks & zoon, maar in 1823 bij zijn huwelijk met Johanna Brouwer ‘ontvanger’ wordt genoemd. Zijn vrouw overleed op 3 januari 1836. Derk Boks hertrouwde in juni 1837 met Aaltje Ruimerman. Uit deze echtverbintenis werd op 18 April 1838 een zoon Evert Jan geboren, die hoewel eerst bestemd voor de handel, zich al spoedig aangetrokken voelde tot de schilderskunst. Zijn eerste lessen op dit gebied kreeg hij te Apeldoorn van Arie Lieman en A.W. Riem-Vis. In 1863 behaalde Evert Jan een prijs aan de Koninklijke Academie voor schilder- en tekenkunst te Antwerpen. Evert Jan Boks was een bekwaam schilder; hij overleed te Antwerpen op 14 juni 1914. Naar hem is in 1964 in Beekbergen de Evert Jan Boksweg genoemd.

Evert Jan Boks:
"La demande en mariage"

Op het moment dat Derk Boks met Aaltje Ruimerman trouwde, werd hij papierfabrikant genoemd, wat hij niet steeds, maar toch volgens de Franse enquête van 1812 minstens reeds vanaf dat jaar was geweest. Derk werkte met vijf, later met minder werklieden tot 1839 en ging zich toen met de papierhandel bezighouden. In 1843 werden de hamerbakken verkocht aan Jan van Houtum voor het opnieuw inrichten van de verbrande en weer herbouwde molen van het Voorslop.

De Ruitersmolen werd als korenmolen ingericht (met 2 raderen), die na Derk Boks’ dood in 1862 werd beheerd door zijn zoon Jacobus Willem Boks, geboren in 1831. De jongere zoon Gerard, in 1872 getrouwd met Jannetje Brouwer, was zijn opvolger. De laaste korenmolenaar uit deze familie was Gerards zoon Albert die vanaf 1906 molenaar was. Hij was niet getrouwd en woonde op de Ruitersmolen met zijn zuster. Hij was een geziene figuur in het dorp. In 1920 verkocht Albert de molen aan de heren Huber en Bodemeijer.

Na een brand werd de molen geheel verbouwd en later (in1924 ?) verkocht aan P.H. Kaars Sypestein. In de tweede Wereldoorlog is de molen nog met een rad in werking geweest.

In 1954 was de molen stil komen te staan. Na de familie Kaars Sypestein heef de molen vele eigenaren gehad. In 1977 kocht de Stichting “Het Hoogeland” de Molen van de gemeente Apeldoorn.

Stichting Vrienden van de Ruitersmolen

In 1977 is op initiatief van de Oudheidkundige Vereniging “De Marke” een werkgroep opgericht, met het doel het restant van de watermolen “De Ruitersmolen” te restaureren. Deze werkgroep is later bij notarisakte van 30 oktober 1980 omgezet in de Stichting Vrienden van de Ruitersmolen.

Er is vele jaren door vrijwilligers aan gewerkt om het molengebouw te restaureren. In 1979 is het gebouw wind- en waterdicht gemaakt. Dat was nodig want het water van de beek stroomde dwars door de molen. Deuren en ramen waren in slechte toestand, al het glas in de ramen was stuk, deuren waren dichtgemetseld. De kelders waren bedekt met zand en puin, de ratten hadden gaten gemaakt in de slechte muren. Het dak lekte van alle kanten en moest voor een gedeelte vervangen worden en op de muren was het stucwerk verdwenen. Ik ging wel eens met mensen op bezoek bij de molen en vertelde dat we de molen wilden restaureren. Vaak werd mij verteld dat het een onbegonnen zaak was om die puinhoop te restaureren. Al die negatieve reacties hebben mij de kracht gegeven om wel door te zetten. Hoewel het moeilijk was in het begin, omdat eigenaar Stichting “Het Hoogeland” niet wilde meewerken, is er toch een overeenkomst gekomen tussen De Stichting “Vrienden van de Ruitersmolen” en De Stichting “Het Hoogeland”.

Ook de gemeente Apeldoorn zag in het begin niets in het project. We zijn als vrijwilligers gewoon doorgegaan en hebben het gebouw wind- en waterdicht gemaakt en het verval van de beek hersteld. Het geld dat nodig was voor de restauratie werd verkregen door demonstraties papier scheppen te verzorgen, uit donaties en uit diverse acties, zoals fietstochten en verkoop van molensteentjes (koekjes). In mei 1981 heeft de gemeente Apeldoorn het molencomplex op de Gemeentelijke Monumentenlijst geplaatst. In augustus is men begonnen met het uitzetten van een natuurpad langs de Beekbergense beek. Zo kon men de molen ook bereiken van de Tullekensmolenweg en de Oude Apeldoornseweg.

Op 11 september 1982 heeft een ploeg van a.s. Wageningse studenten onder leiding van enkele ouderejaars de beek uitgediept en de beschoeiing van de beek hersteld.

Papierwatermolen de Ruitersmolen

De eerste fase voor de molenbouwer Vaags is begonnen op 16 oktober 1982 met het aanbrengen van watergoot, waterrad, as en aswiel. Op 19 juni 1984 is de molenbouwer begonnen met de tweede fase van de restauratie: het aanbrengen van twee maalstoelen.

Op 14 november 1985 werd er weer meel gemalen in de Ruitersmolen. De molen werd geopend op 8 Juni 1985 door jhr. drs. P.A.C. Beelaerts van Blokland burgemeester van Apeldoorn. Het bestuur van de Stichting “Vrienden van de Ruitersmolen” is op 1 maart 1986 in Krasnapolsky in Amsterdam geweest om een verdiende prijs in ontvangst te nemen. Deze prijsuitreiking door de Stichting “Molengiftenfonds voor Vernuft en Volharding” vond plaats tijdens de algemene vergadering van de vereniging “De Hollandse Molen”. De prijs bestond uit een zeer fraaie oorkonde en een geldbedrag van 1500 gld.

En zo gaat de historie verder over een kleine molen met een grote geschiedenis.

De Ruitersmolen 2

De tweede Ruitersmolen werd omstreek 1693 gebouwd en kwam omstreeks 1704 uit de nalatenschap van Jan Jansen van Amersfoort aan zijn zoon Hendrik, gehuwd met Hilltje Dercx. In 1729 of eerder heeft hij zijn molen verpacht aan Willem Jansen, die zich later Willem Jansen Beekhuys noemde. In januari 1734 hebben de erfgenamen van Hendrik Jansen van Amersfoort en zijn vrouw, te weten de zoon Jan, weduwnaar van Geertje Muller, de dochter Aaltje, gehuwd met Cornelis Willems Brouwer en Luytje van Amersfoort, gehuwd met Jan Aerts Schut, de vierbaksmolen voor 5500 gld. verkocht aan hun pachter. Willem Jansen Beekhuis en zijn vrouw Annetje Elisabeth Abrahams Westenenck leenden van Johanna Reinders Haverkamp 2000 gld. om deze aankoop te financieren. In 1747 werkte Beekhuis met drie meiden en één knecht, Hendrik Ekkenhuis uit Heerde, die op de tweede Smallertse molen in Emst had gewerkt. Hij vertrok al in 1749 naar de tweede Ottermolen in Ermelo. Later trouwde hij met één van de drie meiden op de Ruitersmolen, Evertje van Schoonhoven, en vertrok toen naar Wormingen, waar zijn broer Peter de derde molen op klein Hattem had gepacht. In 1753 overleed Beekhuys. In februari 1754 werd een boedelinventaris opgesteld, in verband met hertrouwplannen van de weduwe.

Papiermaker en boer?

Aan ontroerend goed werd genoemd: de papiermolen met twee schuren, huis en hof en ongeveer vier morgen land, verdeeld over perceeltjes van een halve tot vijf schepel, met de namen: Hoffakker, Dwersakker, ‘aan den Dries schietende op de Cerrekwegh’ (kerkweg), de Cortevooren, het Bietjen. ‘langs het Scheperspadt’, de Eversbergh, de Jonckeren camp, ‘in het Lamperbroek’, ‘aan het Gietelse Broek’ en houtopstand in de Lierdermark ‘in joffer van de Nooren deel’ en in de Bruggelermark ‘in het Ruyters deel’.

Er was het gebruikelijke papiermakersgereedschap en in het huis 250 riem schrijfpapier en 100 riem ‘lommers’, alsmede 275 riem papier in Amsterdam. Zeven koeien geven samen met het landbezit een indruk van het omvangrijke boerengedoe van deze papiermaker. Kleding en inboedel waren bescheiden. De schulden waren beperkt tot de geleende 2000 gld. en 70 gld. rente. 16 gld. kreeg Cornels Lambers ‘voor stof’ en Nicolaas Vorster in Arnhem had nog 110 gld. te goed wegens geleverde lompen. Aan gereed geld telde men 300 gld.; van de Amsterdamse factor van Laar was nog 579 gld. te ontvangen.

De weduwe hertrouwde in februari 1754 met Coenraad Beumer, die de molen nu beheerde samen met de zoon Jan Willems Beekhuys, die vrijwel gelijk met zijn moeder in het huwelijk trad. Coenraad Beumer was eerder getrouwd geweest met Stijntje Herms Beumer. Bij dit eerste huwelijk, in maart 1727 te Beekbergen/Lunteren gesloten, werd hij ‘jonge man van Daverkoetse in Beyerland’ genoemd, vermoedelijk Dabergotz (Kr Ruppin) ten noordwesten van Berlijn en dus niet in Beieren maar in Brandenburg gelegen. Hij is in september 1761 overleden, zijn vrouw in april 1772.

Jan Willems Beekhuis trouwde in maart 1754 met Cornelia van Amersfoort, dochter van Jacob Claasen van Amersfoort en Johanna Heymensen van Til, waarmede we terugkeren in de kring der vroegere eigenaars.

Baron Hackfort, heer van ter Horst

Zonder bijzondere voorvallen heeft Jan Willems Beekhuis de molen geëxploiteerd, na de dood van zijn stiefvader geheel op eigen naam. Hij kreeg verscheidene kinderen; zijn zoon Jacob, eind mei 1764 geboren, heeft hem in zijn werk bijgestaan. Dit duurde tot 4 april 1790, toen Cornelis Maqnificq moest aangeven, dat Jan Willems Beekhuis des morgens dood in het water was gevonden. De weduwe zette het bedrijf samen met haar zoon voort, maar er kwamen geldproblemen. Al in juni 1783 had haar man last gekregen met baron Hackfort, heer van ter Horst, die in het bezit was gekomen van de oude obligatie van 2000 gld. van Johanna Haverkamp. Beekhuis had toen al zes jaar geen rente betaald. Na de dood van Beekhuis ging het snel bergafwaarts, zoals uit de volgende stukken blijkt:

  • 1797; Peinding door Willem van Riel, Gijbert Middelburg en Marten Schut voor totaal ruim 1300 gld. De weduwe leende daarna 2400 gld. van Jannes Ledeboer. Later werd weer gepeind door Adolph Troost wegens een schuld van 255 gld.
  • 1801; Een hypotheek van 4400 gld. op de molen gevestigd ten behoeve van Jannes Ledenboer, meester papiermaker op de Haar onder Brummen.
  • 1802; Jannes Ledenboer peint aan de molen wegens een schuld van 993 gld. voor in 1801 geleverde lompen en papier.
  • 1810; Baron Hackfort peint aan de molen en andere goederen omdat er nu een achterstand van zeven jaar is in de rentebetaling over de lening van 2000 gld.

 

Kasteel Hackfort

Brand in de Molen

In 1811, toen weduwe Beekhuis ongeveer 78 jaar oud was, woonde zij nog altijd op de molen, die toen vier bakken met 22 hamers had, een ‘cylinder’ en zoals gewoonlijk slechts één schepkuip. De zaken werden toen gedreven door de zoon Jacob Beekhuis, die in mei 1802 getrouwd was met een meisje uit Ermelo, Aaltje Mouw. De produktie beperkte zich tot twee soorten papier:’gemeen’ schrijf en royaal. Kort na 1811 zal de weduwe zijn overleden. Toen, misschien reeds eerder, is baron Hackfort eigenaar van de molen geworden, die hij aan Jacob Beekhuis verpachtte.

In 1817 moest Beekhuis als pachter vertrekken en kwam er een nieuwe pachter, Alard Jan, op zijn beurt reeds in 1821 opgevolgd door Lammert van Gerrevink. Van Gerrevink, die jaarlijks 215 gld. aan pacht moest betalen, heeft hier tot zijn dood in 1857 gewerkt, eerst met vijf tot zeven, later met twee tot drie knechts en meiden. Lambert van Gerrevink, in 1789 te Apeldoorn geboren, was gehuwd met Antionetta Huberta de Bruin, in 1792 in Apeldoorn geboren. Er zijn zeven kinderen uit dit huwelijk bekend.

Van Gerrevink overleed 1 juni 1857, zijn vrouw 16 oktober 1866. De molen werd nu gepacht door de zoon Hendrik van Gerrevink, geboren 19 juni 1819. De papiermolen en hangschuur van van Gerrevink brandde op 15 oktober ‘s middags om één uur af en werd niet herbouwd. Hendrik van Gerrevink, sindsdien als landbouwer geregistreerd, vertrok in 1877 naar Wijhe.

De Veluwse papiermolens

Uit het aantal arbeiders, dat in de eerste helft van de negentiende eeuw meestal niet meer dan 4 tot 5 per molen bedroeg, blijkt dat de Veluwse papiermolen een klein bedrijf was, vooral wanneer men het vergelijkt met de Zaanse grootbedrijven die gemiddeld 25 arbeiders per bedrijf in dienst hadden. De minimum personeelsbezetting bestond uit een schepper en een koetser, die tot de volwaardige vaklieden behoorden. Verder een papierheffer en een lompenscheurder. De overige werkzaamheden werden onderling verdeeld.

Ongeveer een derde van de arbeidskrachten op de Veluwse molens bestond uit kinderen van acht jaar en ouder; na de invoering van de kinderwetten van Van Houten in 1874 was dat vanaf 12 jaar. Zij sorteerden en scheurden de lompen en hingen de papiervellen op. Deze omstandigheid verklaart ten dele, waarom de Veluwse papiermakers zo goedkoop konden werken en de concurrentie zo lang vol konden houden. Op de kleine Veluwse molens werkte men dikwijls alleen met eigen vrouw en kinderen, zodat het bedrijf daar zuiver het karakter van een gezinsbedrijf had. De arbeid was in 1841 gemiddeld 12 uur per dag, van ongeveer ’s morgens zes uur tot ’s avonds zes uur met enkele rustpauzes.

De lonen waren erg laag en bleven van de Franse Tijd tot ver na het midden van de negentiende eeuw vrijwel onveranderd op dit lage peil staan: zo verdiende de molenaar of meesterknecht, die verantwoordelijk was voor de papierbereiding en de regeling van het werk 5 gld., een schepper en een koetser 3 gld. en een legger 2 gld. per week. Een lompenscheurder 16 – 20 gld. per jaar als hij op de molen in kost was. Ook vrouwenarbeid (lompen scheuren, papier sorteren, tellen en verpakken) kwam voor. Enig idee van de reële waarde van dit loon geeft het bedrag van 306 gld. dat een gezin van 6 – 7 mensen in die tijd voor het levensonderhoud nodig had. Daarbij moet wel in aanmerking worden genomen, dat de meeste Veluwse papierarbeiders een eigen stukje land hadden, waarop ze aardappels, wat groenten en soms wat rogge verbouwden, zodat ze zelf in hun eerste levensbehoeften konden voorzien. Van de Veluwse papierscheppers wordt bijv. verteld dat ze in de zomerdag dikwijls eerst van ‘s morgens half vier tot tien uur naar de molen gingen en daarna hun land bewerkten.

Ook aan de Veluwse papiermolens zelf was, op een enkele uitzondering na, een boerderij verbonden. Zo was het ook bij de Ruitersmolens. Bij minder gunstige weersomstandigheden kon het zelfs gebeuren, dat de papiermakerij een paar dagen werd stopgezet en het gehele molenpersoneel meehielp bij het binnenhalen van de oogst. Deze innige verstrengeling van papiermakerij en boerenbedrijf komt mede duidelijk tot uiting in de boedelinventaris uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

Deze boedelinventaris in Beekbergen gaat over de inventaris van Wijlen Johannna Brouwer en Derk Boks, koopman en papierfabrikant, wijk A nr. 46, Beekbergen, Apeldoorn 20 mei 1837 (eigenaar van de Ruitersmolen). In deze inventaris worden genoemd een paard, vijf melkkoeien, drie varkens, een kar met huif, twee korte karren en een ploeg.

Op deze Veluwse boeren-papiermakersbedrijven is de volgende beschrijving uit 1854 wel zeer goed van toepassing: “Nergens vindt men dat verband tussen de fabrieken en landbouw beter dan op de papiermolens op der Veluwe. De papiermaker en zijn gezin kennen luttele behoeften, hij houdt weinig omgang met andere mensen; zijn uitgang is alleen des Zondags naar de kerk; eenzaam en tevreden leeft hij op zijn kleine groene oase te midden van de bruine heidevelden voort, hij houdt vier of vijf koeien, een kudde schapen; in zijn tuin staat een bijenstal, de beek geeft hem een kosteloze beweegkracht, zijne fabrieksarbeiders zijn zijne vrouw en kinderen en zij laten de molen werken als hun landbouwend bedrijf zulks toelaat.”

De Ruitersmolen nu

Op de zolder van de Ruitersmolen staan materialen uit diverse papiermolens:

  • Een natpers • een lompenbak (zeef) met twee kingen (Papierfabriek Voorslop)
  • Een Leggersstoel (Voorslop)
  • Een schepkuip
  • Verschillende schepvormen
  • Diverse soorten watermerken (Papierfabriek Voorslop)
  • Een hamerbak met vijf hamers (Papierfabriek Holthuizen)
  • Een weefstoel voor het weven van koperdoek voor schepramen (Voorslop)
  • Diverse foto’s over de papierindustrie van voeger

Papierwatermolen de Ruitersmolen

Er wordt nog papiergeschept. De molen is geopend het hele jaar door van 9.00 uur tot 16.00 uur dinsdag en donderdag. Entree is gratis Rondleiding in de Ruitersmolen en langs de beek naar de Tullekensmolen op afspraak.

Ruitersmolen 1

  • 1606 Marten Orges – pachtte grond en water voor het leggen van een molen
  • 1622/1625 Proces van de huismeesters van het Sint Peters Gasthuis tegen Marten Orges
  • 1629 Geertje Schut en Kinderen – pachters en papiermakers
  • 1648 Jan van Amersfoort – eigenaar en papiermaker
  • 1693 Jan Jansz van Amersfoort – eigenaar en papiermaker
  • 1700 Klaas Jansz. Van Amersfoort – eigenaar en papiermaker
  • 1729 Jan Gerrit van Amersfoort – eigenaar en papiermaker
  • 1737 Willem Brouwer – eigenaar en permaker
  • 1739 Jacob Gerrits Timmerman, Zeger Cornelis en Cornelis Willems Brouwer – eigenaren
  • 1744 Evert van Oorsprong – pachter en papiermaker
  • 1751 Willem Derx – pachter en papiermaker (eigenaar voor 2/3 deel)
  • 1761 Herman van Lil – papiermakersknecht
  • 1762 Arnoldus Schut – pachter en papiermaker
  • 1762 Gerrit Brink en Berend Capel – eigenaren
  • 1766 Herman van Lil – pachter en papiermaker
  • 1770 Cornelis Magnificg – papiermakerskecht
  • 1778 Jacobjen Jansen Schut – eigenaresse
  • 1779 Jan Capel – eigenaar en papiermaker
  • 1788 Aaltje Woudenberg – eigenaresse
  • 1789 Berend Derk Boks – eigenaar en papiermaker 1808 Berend Derk Boks en zijn zoon Derk Boks – eigenaar en papiermakers
  • 1839 Derk Boks – papiermaker, daarna papierhandelaar
  • 1843 Berend Derk Boks verbouwt de molen: hij maakt er een korenmolen van met 2 raderen.
  • 1843 Berend Derk Boks verkoopt de hamerbakken aan Jan van Houtem op het Voorslop in Ugchelen

Ruitersmolen II

  • 1693 (circa) molen gelegd
  • 1704 Hendrik van Amersfoort – eigenaar en papiermaker
  • 1729 Willem Jansen (Beeckhuis) – pachter en papiermaker
  • 1734 Willem Jansen (Beeckhuis) – eigenaar
  • 1747 Hendrik Ekkenhuis – papiermakersknecht
  • 1754 Coenraat Beumer en Jan Willem Beekhuis – eigenaren en papiermakers
  • 1790 Cornelia van Amersfoort en Jacob Beekhuis – eigenaren en papiermakers
  • 1811 Baron hackfort – eigenaar
  • 1811 Jacob Beekhuis – pachter en papiermaker
  • 1817 Alard Jan – pachter en papiermaker
  • 1821 Lammert van Gerrevink – pachter en papiermaker
  • 1857 Hendrik van Gerrevink – pachter en papiermaker
  • 1864 afgebrand

Geraadpleegde bronnen

  • R. Hardonk: “Koornmullenaers Pampiermaeckers en Coperslaghers”
  • H. Voorn: “De papiermolens in de provincie Gelderland alsmede in Overijssel en Limburg”
  • C. Th. Kokke: “De Veluwse papiermolen”
  • Nieuwe Apeldoornse Courant Gert Jan Blankenaar
  • Medewerkers van het gemeentearchief in Apeldoorn

Contact

Hosted by: Webstream Papiergeschiedenis Nederland, p/a Koninklijke VNP, Postbus 731, 2130 AS Hoofddorp, Nederland